Opvoedingstelefoon

078 15 00 10

(zonaal tarief)

MA-DI-VR: 10u-13u / 14u-17u
DO: 10u-13u / 14u-17u / 19u-21u
Meer info

Nuttige links

Je kind in zijn ontwikkelingsfasen

De ontwikkeling van je kind ligt je vanzelfsprekend nauw aan het hart. Overloop daarom eens zijn belangrijkste levensfasen. Dat kan helpen om een bepaald gedrag beter te begrijpen of te aanvaarden. De hieronder gemaakte indeling in leeftijden is slechts bedoeld om een idee te geven waarom een kind in een bepaalde periode van zijn leven een bepaald gedrag vertoont. De ontwikkeling van elk kind verloopt immers heel verschillend en is afhankelijk van veel factoren. Houd dus steeds in gedachten dat elk kind een uniek wezen is en daarom recht heeft op een unieke aanpak.

Je zuigeling

ontwikkelt een basisvertrouwen door een goede band met de ouder die hem verzorgt, voedt en affectie geeft. Als hij vanaf de geboorte veel warmte krijgt, zal hij zich geborgen en veilig voelen. Je kan een zuigeling trouwens niet genoeg verwennen: hoe meer positieve aandacht hij krijgt, hoe evenwichtiger hij zich later zal ontwikkelen. Maak je geen zorgen als hij je ‘aanklampt’: dit is baby’s manier om te zeggen: “Ik heb je nodig, laat me niet los”.

    In het 1ste jaar groeit de baby het snelst:

  • rond 2 maanden komt de eerste reactie op zijn omgeving en lacht hij je toe.
    Hij wacht op jouw glimlach terug.

  • rond 4 maanden begint hij te brabbelen: een voorbereiding op het echte spreken.
    Praat zo vaak mogelijk met hem.

  • rond 6 maanden leert hij te gaan zitten.
    Laat het hem zelf maar proberen...en nog eens proberen.

  • rond 8 maanden staat en kruipt hij soms al en gaat zijn onmiddellijke omgeving verkennen.
    Het doet hem goed als je hem de kans geeft zoveel mogelijk te onderzoeken.

  • rond 1 jaar zetten sommigen hun eerste stapjes.
    Het versterkt zijn zelfvertrouwen als je hem zijn eigen tempo laat volgen.

Je peuter (1-3 jaar)

  • kan stilaan lopen, een beetje rennen, klimmen en wordt steeds zelfverzekerder.
    Kan je het geduld opbrengen om hem alles in zijn unieke eigen tijdsbesef te laten beleven?
  • Je peuter wordt rijper en zindelijk maar dit gaat niet zonder slag of stoot. Hij wil zijn eigen territorium uitbouwen, maar twijfelt aan al dat nieuwe ‘eigen kunnen’ en schaamt zich als er iets niet lukt. Hij kan daarom soms heel koppig zijn en zelfs een woedeaanval krijgen omdat hij niet begrijpt waarom het niet lukt.

    Heb daar begrip voor en vermijd elke vorm van machtsstrijd bij zijn zoektocht. Hij zal het makkelijker hebben als je hem een beetje loslaat maar gevoelsmatig dicht bij hem blijft. Op die manier zal hij bijvoorbeeld op het potje gaan als hij er zelf aan toe is en dit zal zijn zelfbeeld heel veel goed doen.
  • Hij zal soms zichzelf beschuldigen of juist niet en de schuld bij een ander leggen als hij iets mispeuterd heeft. Hij weet nog niet goed wat mag en niet mag. Wat van hem gevraagd wordt, is iets van de buitenwereld en die heeft hij zichzelf nog niet eigen gemaakt.

    Je kan hém en jezelf helpen als je aanvaardt dat hij enkel ‘de regels hier en nu en in jouw aanwezigheid’ kan begrijpen en dat een of andere vorm van geweten pas later komt. Simpel gezegd : op deze leeftijd kan je peuter nog niet liegen, ook al lijkt het er soms op.
  • Zijn benoemingsdrang en eigenaardige zinsbouw hebben te maken met de ontdekking van zijn taalmogelijkheden.

    Je kan heel wat ontdekken over je kind in deze periode : zijn klank, zijn pogingen om de dingen een naam te geven met een- of meerwoordzinnetjes. Soms zal je hem in bed een hele monoloog horen afsteken, omdat hij graag luistert naar zijn eigen geluid en zijn reeds verworven woordenschat wil uitproberen.

Je kleuter (3-6 jaar)


  • Je kleuter kan zijn motoriek stilaan beter coördineren. Dit wil zeggen dat zijn zenuwstelsel rijpt en zijn lichamelijke vaardigheden toenemen. Toch zullen de ledematen en het hoofd van je prille kleuter nog niet helemaal in proportie zijn omdat zijn bovenlichaam langzamer groeit dan zijn onderlichaam.

    Het zal nog even duren voor hij een priegelwerkje als ‘veters knopen’ onder de knie heeft. Geef hem de kans om zoiets uit te proberen op een rustig moment. Ga maar even iets anders doen als de drang om te helpen te groot wordt! Zulke moeilijke dingen probeert hij immers al spelend uit en zo groeit zijn zelfvertrouwen met elke verworven vaardigheid. Je oudere kleuter zal je soms verbazen als hij de trap met twee benen tegelijk opklautert. Elk kind heeft zo zijn eigen eigen sprongetje.
  • Je kleuter en zijn spel horen onafscheidelijk samen. Spelen is doel op zich en betekent vrij zijn. Op zijn manier probeert hij in verschillende soorten spel emoties en spanningen te verwerken. In dat spel leert je kleuter veel over zichzelf en zijn omgeving. In het rollenspel kan hij zich ontladen. In een regelspel zoals tikkertje leert hij wat fairplay is. Met een bouwsel van legoblokken construeert hij de werkelijkheid.

    Het zal niet altijd even leuk maar wel leerrijk zijn om te zien hoe je in het spel van je kleuter plots jezelf geportretteerd ziet. Het is zijn manier om moeilijke en leuke dingen te verwerken. Zijn sociale vaardigheden, zijn levenslust en creativiteit zullen toenemen als je kleuter wordt aangemoedigd om zich volop uit te leven.
  • Je kleuter wordt groter en denkt en fantaseert op geheel eigen wijze. Hij ontwikkelt een grote verbeeldingskracht. Zijn magisch denken ontstaat vanuit zijn overtuiging dat de dingen gebeuren omdat hij wenst dat ze gebeuren. Hij heeft behoefte aan controle over de geheimzinnige en de soms beangstigend grote wereld.
    Toch kijkt hij in beginsel met een open blik om zich heen. Hij kan zich echter nog niet inleven in het perspectief van anderen en ziet slechts het begin en einde van een gebeurtenis, niet wat er tussen ligt. Hij neemt veelal het opvallendste kenmerk waar (bv. een rode bal tussen groene en blauwe). Hij kan nog niet in omgekeerde richting denken (als je hem vraagt of hij een broertje heeft, zegt hij prompt “Jan”, maar op de vraag of Jan een broertje heeft, antwoordt hij “neen”). Zijn denken is nog statisch en training helpt niet zo veel.

    Sprookjes scheppen orde in zijn chaos en openen een wereld waarin hij de gevaren kan trotseren. Ze helpen hem ook om zijn altijd aanwezige emoties te verwerken. Rond vijf jaar leeft hij soms vaker in zijn fantasiewereld dan in de werkelijkheid. Trek zijn fantasie niet te veel in twijfel, maar probeer liever een eindje mee te gaan in zijn verhalen. De werkelijkheid is voor hem nog onoverzichtelijk en soms gevaarlijk. Zo ziet hij in het verkeer niet de beweging van bv. auto's, maar uitsluitend dé auto, dus de auto als voorwerp.
  • Je opgroeiende kleuter wil de buitenwereld leren kennen. Geleidelijk aan begrijpt hij dat er andere dingen en mensen zijn buiten hemzelf. Door de expansiedrang van zijn eigen lichaam en de daarmee gepaard gaande lustgevoelens zal hij die wereld ontdekken. Het befaamde Oedipus-complex is hier te situeren.
    Naargelang zijn ervaringen met die buitenwereld kunnen hier al dan niet schuldgevoelens en angsten ontstaan. De juiste houding van de ouders helpt hem die te weerstaan. Ook wordt hij zich stilaan bewust van het onderscheid tussen jongens en meisjes en de rolpatronen die de maatschappij toekent aan mannen en vrouwen. Een gelijkwaardige behandeling van zonen en dochters kan stereotypen doorbreken. Geef daarbij het goede voorbeeld en vind het niet vanzelfsprekend dat je dochter altijd een pop en je zoon altijd autootjes krijgt als cadeautje. Laat hen boekjes lezen waarin jongens doen wat van meisjes verwacht wordt en omgekeerd.

    Het ‘spelen’ met penis of clitoris hoort bij deze ontwikkelingsfase. Je kleuter wordt zich bewust van zijn sekse. Jongens kunnen in deze periode hun papa als rivaal gaan zien in de strijd om hun mama, de eerste ‘vrouw’ met wie ze in hun fantasie willen trouwen. Hetzelfde, hoewel toch enigzins anders, gebeurt bij meisjes tegenover hun papa. In onze huidige tijdgeest kunnen ouders zich in deze fase een beetje onwennig voelen als de aanrakingen en gedragingen van kleuterlief soms seksueel getint zijn. Het is belangrijk om als ouder te begrijpen dat je kind deze exploratie nodig heeft om zichzelf te ontdekken. Toch kan je het je kind gerust laten merken als het naar jouw gevoel hierin te ver gaat.
  • Je oudere kleuter leert nu ook samen dingen te doen, vooral door spel en activiteiten in de kleuterklas. Zijn groeiende taalvaardigheid helpt hem hierbij. Vanwege zijn grotere gerichtheid op de buitenwereld, waaronder zijn vriendjes, toont hij zich minder gehecht, al blijft zijn behoefte aan jouw nabijheid heel sterk.
    Men spreekt in deze fase wel van het spiegelgeweten van een kind. Daarmee bedoelt men dat zijn prille geweten slechts een afspiegeling is van de geboden van de buitenwereld. Je kleuter aanvaardt normen en geboden omdat jij het hem leerde en omdat hij zich met jou identificeert. Men kan hier echter nog niet van een persoonlijk geweten spreken.

    In deze periode zal je kind zichzelf soms bestraffend toespreken doordat dit spiegelgeweten hem remmingen oplegt. Hier kan agressie mee gepaard gaan. Meer inzicht in de gevolgen van eigen handelen leert hij het beste in de omgang met leeftijdgenoten. Als je je kind regelmatig in contact brengt met andere kinderen, geef je hem de kans om zich gemakkelijker aan te passen in de kleuterklas en om later contacten met anderen te leggen. Op deze manier leert hij ook geven en nemen en zich sociaal te gedragen.
  • Met drie jaar heeft je kleuter doorgaans een woordenschat van zo'n 900 woorden. Met vijf jaar kan hij reeds een serieus gesprek voeren waarbij hij kan putten uit zo’n 2600 woorden. Zijn zinnen worden langer en vollediger. Kenmerkend is de striktheid waarmee je kleuter de taalregels toepast. Zo zal hij vertellen dat hij “gezwemd” heeft omdat hij ook “gespeeld” heeft.

    Het spreekt voor zich dat je kleuter in deze periode graag zijn taalvaardigheid demonstreert en je kan op deze leeftijd soms lange, wonderlijke verhalen te horen krijgen naargelang zijn of haar temperament. Ze vinden het heerlijk om daarbij een publiek te hebben, al bestaat dat soms enkel uit moeder of vader. Probeer er samen met hen van te genieten.

Je schoolkind (6-12 jaar)


  • wordt steeds harmonieuzer van gestalte en houding. Zijn bewegingen zijn beheerst, verfijnd en gecoördineerd. Hij is klaar voor specifiek fysieke taken zoals sporten.

    Het is belangrijk dat je kind de kans krijgt om zijn vaardigheden uit te proberen en te ontwikkelen. Gelegenheden daartoe zijn er zeker en vast genoeg in je woonplaats. Denk maar aan de plaatselijke academie, de muziekschool, de jeugdbeweging, de voetbalclub e.d.
  • Hij is stilaan schoolrijp geworden. Hij leert logisch denken, combineren, omkeren, ordenen, optellen en aftrekken. Al deze ‘mentale acties’ staan niet meer los van elkaar, maar worden geïntegreerd. Het denken van je kind wordt dynamisch maar blijft nog heel concreet.

    We kunnen reeds heel wat leren van ons kind, ook lang vergeten dingen uit de lagere school. In deze fase kan je kind echter mentaal nog niet goed omgaan met ideeën, formules of hypothesen omdat die nog te abstract zijn.
  • Je kind krijgt een geslachtsidentiteit, d.w.z. dat het zich bewust wordt een jongen of meisje te zijn. Vaak ontstaat er een spontane scheiding tussen jongens en meisjes. Freud sprak over de latentiefase. De seksuele ontwikkeling sluimert immers en de aandacht hiervoor uit zich in onschuldige seksueel getinte (dokters)spelletjes.

    Het is goed dat je je als ouder bewust bent van deze seksuele ontwikkeling. Naast het laten betijen van de spelletjes (die je je vast nog wel herinnert uit je eigen kindertijd), is het belangrijk dat je kind een antwoord krijgt op zijn vragen rond seksualiteit, eventuele veranderingen in zijn lichaam enz. Op deze leeftijd zijn zulke vragen onderwerp van talloze veronderstellingen en gissingen.
  • Als de seksualiteit naar de achtergrond verschuift, komt er meer energie vrij voor andere domeinen zoals het leren op school. Het schoolkind krijgt de behoefte positief bij te dragen tot de wereld buiten zichzelf. Hierdoor kan een tegenstelling tussen vlijt, inspanning en constructiviteit enerzijds en minderwaardigheid anderzijds ontstaan. Het kind wil zich aanvaard voelen door zijn bijdrage, maar als het niet ervaart dat dit op prijs gesteld wordt, kan het zich kwetsbaar of zelfs minderwaardig gaan voelen. Het schoolkind heeft behoefte aan een domein waarin het zich kan laten gelden en waarin het erkenning krijgt.

    De buitenwereld, waartoe vooral ook zijn leeftijdgenootjes behoren, zijn hierbij vaak van groter belang dan de thuiswereld. Toch blijft je kind in deze fase de aandacht en de stimulans van zijn ouders waarderen. Als ouder zul je je nu vooral moeten toeleggen op taken geven, verantwoordelijkheid stimuleren, en helpen beslissingen te nemen.
  • Het verantwoordelijkheidsgevoel van je kind verandert en wordt persoonlijker en subjectiever, het evolueert naar een eigen geweten. Omdat ook de vorming van een geweten een leerproces is, zal een kind op lagere schoolleeftijd geneigd zijn om onrechtvaardige toestanden heel streng te veroordelen, Dit gebeurt vanuit een ideaalbeeld dat later zal evolueren naar een realistischer houding.

    Je kan je kind helpen in deze evolutie door open te staan voor zijn leefwereld en zijn bekommernissen zowel als zijn ontluikend rechtvaardigheidsgevoel serieus te nemen. Vrienden, aansluiting bij een (sport)club of jeugdbeweging kunnen zijn verantwoordelijkheidsgevoel bevorderen.
  • Je schoolkind zal steeds meer behoefte krijgen om bij een groep te horen. De mening van de groep wordt belangrijker dan die van zijn ouders. Toch blijft zijn gehechtheid aan zijn ouders even sterk. In zijn peergroep (eigen groep) leert hij echter omgaan met anderen, leert hij zijn opvattingen aan de mening van anderen te toetsen en krijgt en geeft hij erkenning. Via spel en competitie zal hij uitgedaagd worden om zijn grenzen te verleggen en zichzelf beter te leren kennen.

    Als je de vrienden van je kind accepteert (ook al ben je soms verrast door de keuze), dan voelt hij zichzelf ook geaccepteerd. Dit zal zijn zelfvertrouwen vergroten en hem de kans geven om zich opgenomen te voelen in de vriendengroep en vandaaruit in een bredere samenleving. Zo leert hij zijn sociale vaardigheden te ontwikkelen en dit kan enkel zijn groei als sociaal wezen ten goede komen.

Je puber/adolescent


  • Vooral jongens groeien op deze leeftijd snel en ze zien er dan soms ook vrij slungelachtig uit. Zo voelen ze zich ook vaak : slungelachtig en onhandig en dit brengt veel onzekerheden met zich mee. Ze worden geslachtsrijp. Meisjes zijn gemiddeld iets vlugger rijp dan jongens.

    Je puber zal je wellicht niet in vertrouwen nemen omtrent zijn onzekerheid en verwarde gevoelens (rond zijn uiterlijk). Integendeel, je zal misschien de eerste zijn waartegen hij in opstand komt. Probeer je puberende jongen of meisje te begrijpen in zijn verwarring en laat pijnlijke momenten een beetje langs je heen gaan, want nog steeds heeft het zijn ouders nodig, al lijkt aan de oppervlakte het tegenovergestelde. Probeer de (vertrouwens)band te behouden en begrip en geduld op te brengen voor experimenten op seksueel en andere vlakken.


  • Op deze leeftijd verwerft je kind een eigen identiteit. Dit kan gepaard gaan met een identiteitscrisis. Hij worstelt met nieuwe ervaringen en met een (vermeend) gebrek aan erkenning dat soms wordt uitgelokt door zijn onhandige communicatie. In de wisselwerking tussen hem en zijn omgeving ontstaan daardoor soms misverstanden.
    Hij wenst een persoonlijk levensplan voor zichzelf uit te stippelen. Zijn drang naar persoonlijke vrijheid hangt hier rechtstreeks mee samen. Het feit dat studerende jongeren vandaag veel langer dan vroeger (economisch) afhankelijk blijven van hun ouders, maakt het er niet gemakkelijker op zich los te maken van hun omgeving en hun noodzakelijke eigen weg te volgen. Dit alles en onze complexe samenleving kunnen ertoe leiden dat pubers in een moeilijk te doorgronden gedachten- en gevoelswereld verzeild raken.
    Hij beweegt zich voortdurend tussen twee werelden : zijn eigen onzekere, zoekende, soms bedreigende omgeving en de wereld van de volwassenen die eisen stellen en hem voortdurend op zijn plichten wijzen. Maar omdat deze plichten meestal ver buiten zijn leefwereld liggen, ontstaat vaak onbegrip aan beide kanten.

    Probeer als ouder de leefwereld van je puber een beetje te begrijpen. Dan zul je bijvoorbeeld wat minder foeteren als zijn kamer er weer eens als een varkensstal bij ligt : innerlijke chaos veroorzaakt soms materiële chaos en onze normen kunnen in deze levensfase moeilijk de zijne zijn. Dit betekent niet dat je geen regels mag stellen. Je puber wil echter betrokken worden in afspraken als die gemaakt moeten worden. Wil je respect krijgen als ouder, dan dien je ook de inbreng van je jongvolwassen kind te respecteren en er op te vertrouwen dat ook hij of zij redelijk kan zijn. Zo wordt het uur van thuiskomst het beste in onderlinge overeenstemming vastgesteld. Hoe vaker je de kunst van het compromissen sluiten beoefent, hoe aangenamer het samenleven met je zoon of dochter wordt!

Als je als ouder in staat bent je kind te nemen zoals het is, als je het kan vertrouwen en er verwonderd naar kan blijven kijken, dan zul je op een dag verrast zijn na al die jaren een bijna volwassen mens te ontmoeten die in staat is om keuzes te maken, zijn eigen leven vorm te geven en samen te leven met anderen.



Nelly Verhelst



«terug